Brief aan de liberalen


Graaf Leo Tolstoi is een veelgeprezen auteur van met name romans maar ook politieke filosofie.

Lees de introductie tot deze brief in: Leo Tolstoi aan de liberalen. ( > )



Maar al te graag zou ik me voegen bij u en uw kompanen – wiens werk ik ken en waardeer – in het opstaan voor de rechten van het literatuurcomité en het tegenwerken van de vijanden van de volksopvoeding. Maar in de sfeer waarin u werkt, zie ik geen mogelijkheid om hen te weerstaan.

Mijn enige troost is dat ook ik me constant verzet tegen dezelfde vijanden van verlichting, zij het op een andere manier.

Met betrekking tot de speciale vraag die u bezighoudt, denk ik dat in de plaats van het literatuurcomité dat nu is verboden, een meervoud aan literatuurverbonden die dezelfde doelen nastreven gevormd zouden moeten worden, zonder daarvoor de overheid raad te slaan en zonder diens censuur om toestemming te vragen. Laat de overheid hen maar aanklagen, als ze dat zou willen, laat haar hun leden straffen en verbannen, etc. Als de overheid dat zou doen, dan zou ze de mensen er alleen maar toe bewegen om meer waarde te hechten aan goede boeken en bibliotheken, en de trend naar verlichting doen versterken.

En het spijt me zeer wanneer ik waardevolle, onzelfzuchtige en zelfopofferende inzet verspild zie worden.


Het komt mij voor dat het nu het belangrijkste is om stil en standvastig het goede te doen, niet alleen zonder de overheid om toestemming te vragen, maar door diens betrokkenheid zelfs bewust te vermijden. De kracht van de overheid ligt in de onwetendheid van de mensen, en de overheid weet dit, en zal daarom altijd trachten ware verlichting tegen te houden. Het is hoog tijd dat we dit feit tot ons door laten dringen. En het is zeer ongewenst om de overheid, terwijl ze haar duisternis verspreid, te laten pretenderen bezig te zijn met de verlichting van het volk. Ze doet dit momenteel middels allerhande pseudo-educatieve instellingen die ze bestuurt: scholen, hogescholen, universiteiten, en allerlei soorten comités en congressen. Maar goed is goed, en verlichting is verlichting, alleen wanneer het ook echt goed en ook echt verlichting is, en niet wanneer het is afgezwakt om tegemoet te komen aan de wensen van Delyfinof’s of Dourano’s vertrouwelingen. En het spijt me zeer wanneer ik waardevolle, onzelfzuchtige en zelfopofferende inzet verspild zie worden. Het is soms ronduit vreemd om goede, wijze mensen hun krachten te zien spenderen in hun strijd tegen de overheid, maar ze dat te zien doen op basis van wetten die juist die overheid zelf wenst te maken.

Dit is hoe deze zaak mij toeschijnt:

Er zijn mensen (wij zelf zijn zulke mensen) die zich realiseren dat de overheid slecht is, en zich ertegen verzetten. Reeds sinds voor de dagen van Radistchef en de Decembristen zijn er twee manieren om deze strijd te voeren. Een manier is die van Stenka, Razin, Pougatchef en de Decembristen, de revolutionaire partij uit de jaren zestig, de terroristen van 1 maart, en anderen. De andere manier is de manier die wordt gepredikt en gebezigd door u, de methode van de ‘gradualisten’, die er uit bestaat strijd te voeren zonder geweld en binnen de grenzen van de wet, stukje voor stukje kleine beetjes constitutioneel recht te veroveren.


Nu beide methoden zo lang zonder effect zijn uitgeprobeerd kunnen we, lijkt mij, helder zien dat geen van beide zal volstaan, en ook zien waarom dit zo is.


Voor zover ik weet worden beide methoden reeds meer dan een halve eeuw onophoudelijk ingezet, en toch wordt de toestand steeds erger. Zelfs wanneer er tekenen van verbetering zichtbaar zijn, zijn deze niet het gevolg van een deze beider bezigheden, maar van oorzaken waar ik later van zal spreken en ondanks de schadelijke effecten die het gevolg zijn van deze twee soorten activiteiten. Ondertussen groeit de kracht waartegen we strijden groter, sterker, en impertinenter. De laatste glimpen van zelfbestuur – lokaal bestuur, publiekelijke rechtspraak, uw literatuurcomité, etc. etc. – worden allen weggedaan.

Nu beide methoden zo lang zonder effect zijn uitgeprobeerd kunnen we, lijkt mij, helder zien dat geen van beide zal volstaan, en ook zien waarom dit zo is. Voor mij in ieder geval, die onze overheid altijd heeft afgekeurd, maar nog nooit een van deze methoden heeft toegepast om weerstand te bieden, zijn de tekortkomingen van beide methoden overduidelijk.

De eerste methode is onbevredigend, omdat zelfs wanneer het bestaande regime succesvol vervangen zou kunnen worden door middel van geweld, er nog steeds geen enkele garantie zou zijn dat de nieuwe organisatie blijvend zal zijn, en dat de vijanden van die nieuwe orde niet, wanneer die kans zich voordoet, alsnog zouden overwinnen, door geweld te gebruiken zoals dat tegen hen werd gebruikt, zoals ook keer op keer gebeurd is in Frankrijk, en overal waar er ook maar revoluties hebben plaatsgevonden. En zo zou ook de nieuwe orde, door geweld tot stand gebracht, door geweld ondersteund moeten worden – dat is, door wangedrag – en als gevolg daarvan ook weer snel instorten, zoals de orde die het verving. En in het geval van een mislukte poging versterkt het geweld van de revolutionairen de orde waar tegen het strijd alleen maar (zoals altijd het geval is geweest in onze Russische ervaringen, van Pougachef’s rebellie tot de poging van 1 maart), omdat het de hele menigte onpartijdigen – die tussen de twee partijen twijfelen – in het kamp van de conservatieve en retrograde partij wordt geduwd. Daarom denk ik dat we, gesteund door zowel de rede als de ervaring, zonder terughoudendheid mogen verklaren dat deze methode niet alleen immoreel, maar ook irrationeel en ineffectief is.

De andere methode is, naar mijn mening, zelfs nog minder effectief en rationeel.


De andere methode is, naar mijn mening, zelfs nog minder effectief en rationeel. Ze is ineffectief en irrationeel omdat de overheid – met in haar macht het gehele staatsapparaat (het leger, de administratie, de Kerk, de scholen en de politie), en ook de mogelijkheid om precies die wetten tot stand te brengen op basis waarvan de liberalen zich ertegen wensen te verzetten – deze overheid weet heel erg goed wat gevaarlijke voor haar is, en zal het nooit toestaan dat personen die zich aan haar onderwerpen en handelen onder haar gezag iets doen dat haar gezag zal ondermijnen. Neem bijvoorbeeld het geval dat voor ons ligt: een overheid zoals de onze, of welke dan ook die afhankelijk is van de onwetendheid van het volk, zal nooit toestaan dat dit volk echt verlicht zal worden. Ze zal allerlei door haarzelf gecontroleerde pseudo-educatieve organisaties goedkeuren – scholen, hogescholen, universiteiten, allerhande comités en congressen, en door de censuur goedgekeurde publicaties – zolang als deze organisaties en publicaties haar doel dienen, dat is, het volk dwaas houden, of in ieder de verdwazing niet in de weg staan. Zodra echter deze organisaties datgene proberen te verhelpen waar het gezag van de overheid op rust (namelijk, de blindheid van het volk), dan zal de overheid simpelweg, en zonder zich aan wie dan ook te verantwoorden, of zelfs maar te verklaren waarom ze zo handelt en niet anders, haar veto uitspreken, en deze instelling en organisatie herindelen of ontbinden, en de publicaties verbieden. En daarom, zoals zowel de rede als de ervaring ons duidelijk laten zien, is zulk een illusoire, graduele verovering van rechten een zelfdeceptie, die de overheid juist uiterst ten bate is, en die zij om die reden dan ook maar al te graag aanmoedigt.

Het feit dat eerlijke en verlichte mensen hun bijdrage doen aan de aangelegenheden van de overheid schenkt haar wat ze aan morele prestige bezit.  


Maar deze activiteit is niet alleen irrationeel en ineffectief, ze is zelfs schadelijk. Het is schadelijk omdat verlichte, goede en eerlijke mensen door tot de overheid toe te treden, aan deze overheid een morele autoriteit toekennen, die het zonder hen niet zou hebben. Zou de overheid enkel en alleen bestaan uit dat grove element – de geweldenaars, opportunisten en vleiers – waar haar kern uit bestaat, dan zou ze niet kunnen voortbestaan. Het feit dat eerlijke en verlichte mensen hun bijdrage doen aan de aangelegenheden van de overheid schenkt haar wat ze aan morele prestige bezit.  

Dat is één kwaad dat resulteert uit de activiteit van liberalen die aan de aangelegenheden van de overheid bijdragen. Een ander zulk kwaad is dat om zichzelf in kansen te voorzien hun werk te kunnen doen, deze in hoge graad verlichte en eerlijke mensen compromissen zijn gaan sluiten en, door dat te doen, er langzaam maar zeker van overtuigd raken dat je voor een goed doel best een beetje van het ware woord en de ware handeling af mag wijken. Bijvoorbeeld dat je, ondanks niet in de gevestigde Kerk te geloven, toch aan haar ceremoniën deel mag nemen; dat je eden af mag leggen; dat je, wanneer het succes van bepaalde zaken dit vereist, verzoeken mag doen die verhuld zijn in spraak die de waarheid niet dient en aan de mens zijn natuurlijke waardigheid afdoet; dat je in dienst van het leger mag treden; dat je deel uit mag maken van een lokale overheid die van alle macht ontdaan is, dat je als meester of professor mag onderwijzen in dat wat je niet zelf nodig acht, maar in dat waar de overheid je toe opdraagt, zelfs dat je een Zemsky Natchalnik mag worden, jezelf onderwerpend aan eisen en opdrachten van de overheid die met het geweten in strijd zijn; dat je in kranten en tijdschriften mag schrijven, stil blijvend over wat benoemd zou moeten worden en alleen afdrukken waartoe je bevolen wordt het af te drukken; en het aangaan van deze compromissen – waarvan de grenzen niet te overzien zijn – door verlichte en eerlijke mensen, die de enige zijn die een barrière zouden kunnen vormen tegen het inbreuk maken op menselijke vrijheden door de overheid, zorgt ervoor dat ze zich stapje bij beetje terugtrekken van de eisen die het geweten hen stelt, totdat ze uiteindelijk volledig van de overheid afhankelijk zijn. Ze krijgen er beloningen en salarissen van en, onderwijl ze doorgaan te geloven dat ze liberale ideeën voortzetten, verworden tot nederige dienaren en medestanders van juist die orde waar ze tegen in verzet waren gekomen. 

Het is waar dat er ook betere, oprechte mensen in het liberale kamp zijn, die de overheid niet kan corrumperen, die niet omgekocht worden en vrij blijven van salaris en positie. Maar zelfs deze mensen, gevangen in de netten die de overheid heeft gespannen, slaan hun vleugels in hun kooien (zoals u nu doet in uw comité) zonder mogelijkheid om van hun plek te komen. Of, in hun razernij, gaan naar het revolutionaire kamp, of ze plegen zelfmoord, of ze gaan drinken, of ze geven de strijd op in wanhoop, en, zoals het meestal gebeurd, trekken zich terug tot literaire activiteit, waarbij, door aan de eisen van de censuur toe te geven, ze alleen zeggen wat ze mogen zeggen, en – juist door stil te blijven omtrent dat wat het belangrijkste is – het publiek een vertekend beeld verschaffen, dat de overheid dient. Maar ze blijven zichzelf voorhouden dat ze de samenleving een gunst doen met het schrijven dat in hun levensonderhoud voorziet.

Aldus laten zowel de bezinning als de ervaring mij zien dat beide methoden van verzet tegen de overheid die tot nog toe zijn ingezet niet alleen ineffectief zijn, maar de kracht en de roekeloosheid van de overheid zelfs toen toenemen.

Wat te doen? Duidelijk niet wat al zeventig jaar tevergeefs blijkt, en alleen maar het tegenovergestelde heeft bereikt. Wat te doen? Juist wat zij gedaan hebben, aan wiens activiteiten wij alle vooruitgang naar het licht en het goede te danken hebben gehad die bereikt is sinds de wereld begon, en die vandaag de dag nog steeds wordt bereikt. Dat is wat ons te doen staat! En wat is het?

Niets dan het simpele, stille, en eerlijke doorgaan met dat wat u het goede acht en nodig acht, geheel onafhankelijk van de overheid, en van wat ze daar ook van mag vinden. Met andere woorden: opkomen voor je rechten, niet als lid van een ‘literatuurcomité’, noch als vertegenwoordiger, noch als landheer, noch als handelaar, niet eens als lid van het parlement; maar opkomen voor je rechten als weldenkend en vrij man, en er voor opkomend – niet als rechten van raden van bestuur en comités beschermd worden, met concessies en compromissen, maar zonder enige concessies of compromissen – op de enige wijze waarop morele en menselijke waardigheid beschermd kunnen worden.

Om een ander uit het moeras te kunnen trekken dien je zelf op stevige grond te staan, en als je in de hoop anderen te assisteren zelf het moeras in gaat, zul je niemand eruit trekken, maar zelf zinken.


Om een fort succesvol te verdedigen, is het nodig om alle huizen in de omgeving plat te branden en alleen te behouden wat sterk is en wat je onder geen enkele voorwaarde op zult geven. Alleen op basis van deze sterke vesting kunnen we veroveren wat we nodig hebben. Het is waar, de rechten van een parlementslid of zelfs maar die van een lokaal bestuurslid zijn groter dan die van de doorsnee burger, en het lijkt alsof er veel te winnen valt door deze rechten te gebruiken. Het probleem is dat je, om de rechten van een parlementslid of bestuurslid te bemachtigen, een aantal van je rechten als man dient op te geven. En, eenmaal een aantal van deze rechten opgegeven, is er geen vast hefboompunt meer, en ben je niet langer in staat echte rechten te verwerven of behouden. Om een ander uit het moeras te kunnen trekken dien je zelf op stevige grond te staan, en als je in de hoop anderen te assisteren zelf het moeras in gaat, zul je niemand eruit trekken, maar zelf zinken.

Het mag dan erg wenselijk en voordelig zijn om een acht urige werkdag gelegaliseerd te kijgen door het parlement, of om een liberaal programma voor schoolbibliotheken goedgekeurd te krijgen door uw comité; maar als om dit doel te bereiken een parlementslid publiekelijk de hand op moet steken en moet liegen, liegen door een eed te zweren, door in woorden respect te uiten waar hij geen respect voor heeft; of (in ons geval) als, om programma’s goedgekeurd te krijgen, hoe liberaal ook, het nodig is om deel te nemen aan publiekelijke kerkviering, beëdigd te worden, een uniform te dragen, leugenachtige en vleiende petities te schrijven, om zulk soort toespraken te geven, etc., etc. – dan, door deze dingen te doen en onze menselijke waardigheid op te geven, dan verliezen we meer dan we winnen, en door te proberen een specifiek doel te bereiken (wat vaak ook nog eens niet lukt) ontnemen we onszelf de mogelijkheid andere doelen te halen die buitengewoon belangrijk zijn. Alleen mensen die iets hebben wat ze nooit en onder geen enkele omstandigheid opgeven kunnen een overheid weerstaan en beheersen. Om de kracht te hebben weerstand te kunnen bieden, moet je op stevige grond staan.

En de overheid weet dit heel erg goed, en is boven alles bekommerd om dat uit mannen te knijpen wat niet zwicht, namelijk, zijn menselijke waardigheid. Is dat eenmaal uitgeknepen, dan kan de overheid rustig doen wat ze wil, wetend dat ze geen echte tegenstand meer zal krijgen te verduren. Een man die er mee instemt om publiekelijk een eed af te leggen, de degraderende en leugenachtige woorden van de eed uit te spreken; of onderdanig urenlang te wachten, opgesierd in een uniform, bij de receptie van een minister; of om zich te registreren als speciale gerechtsdienaar van het hof; of om te vasten en de communie te ontvangen omwille van de prestige; of om het hoofd van de censuur te vragen of hij bepaalde gedachten wel of niet uit mag spreken – zo’n man wordt niet langer gevreesd door de overheid.

Alexander II zei niet bang te zijn voor de liberalen, omdat hij wist dat ze allen om te kopen waren – zo niet met geld, dan wel met onderscheidingen.


***

Het fragment uit deze brief eindigt hier, maar de brief gaat in het Russisch nog een stuk verder. De hier genoemde punten worden verder uitgewerkt, maar de essentie is al enigszins duidelijk. Lees hier de gehele brief in het Engels.

Lees de introductie tot deze brief in: Leo Tolstoi aan de liberalen.



Lees verder

Notities

Geschreven 31 Augustus 1896.

Volledige brief in het Engels: Letter to the Liberals – LewRockwell