Grondvoorwaarden van cultuur


Cultuur, het woord ligt ons in de mond bestorven. Staat het vast, wat wij eronder verstaan? En waarom verdringt het in ons spraakgebruik het goed Nederlandse beschaving? – Op die laatste vraag is het antwoord gemakkelijk: cultuur, als internationale term en algemeen begrip, heeft zwaarder dracht van betekenis dan het deftige beschaving, dat te zeer de nadruk legt op eruditie,1 waarvan het een vertaling is. Het woord cultuur heeft van de Duitse taal uit zijn verspreiding over de wereld genomen. Het Nederlands, de Scandinavische en de Slavische talen hebben het sinds lang aanvaard, ook in het Spaans, het Italiaans en het Amerikaanse Engels is het volkomen gangbaar. Alleen in het Frans en het Engels stuit het, hoewel in bepaalde betekenissen van oudsher gebruikelijk, nog altijd op zekere weerstand, kan men het althans niet grif verwisselen met civilisation. Dit is geen toeval. Het Frans en het Engels hadden uit hoofde van hun oude en rijke ontwikkeling als wetenschappelijke talen bij de formatie van hun moderne wetenschappelijke woordenschat het Duitse voorbeeld veel minder nodig dan de meeste andere talen van Europa, die gedurende de negentiende eeuw in toenemende mate bij de vruchtbare Duitse uitdrukkingsrijkdom te gast gingen.

Oswald Spengler stelde de uitdrukkingsvarianten Kultur en Zivilisation als polen van zijn scherp gepointeerde en al te zelfverzekerde ondergangstheorie. De wereld las hem, en hoorde de waarschuwing, die uit zijn woorden klonk, maar heeft tot nu toe noch zijn terminologie noch zijn oordeel algemeen aanvaard.

Het woord cultuur schept in het algemeen gebruik weinig gevaar van misverstand. Men weet ten naaste bij wat men er mee bedoelt. Tracht men dit nauwkeurig te omschrijven, dan blijkt het zeer moeilijk. Wat is, waarin bestaat cultuur? Een definitie, die de gehele inhoud der voorstelling uitput, is nauwelijks te geven. Gemakkelijk is het daarentegen, enkele wezenlijke grondvoorwaarden en grondtrekken op te sommen, die aanwezig moeten zijn om het verschijnsel cultuur op te leveren.

…enkele wezenlijke grondvoorwaarden en grondtrekken op te sommen, die aanwezig moeten zijn om het verschijnsel cultuur op te leveren.



Cultuur vereist in de eerste plaats een zeker evenwicht van geestelijke en stoffelijke waarden. Dit evenwicht maakt mogelijk, dat er een maatschappelijke gesteldheid opbloeit, die door de belevenden wordt gewaardeerd als meer en hoger dan de bevrediging van pure nooddruft of van blote machtswil. De term geestelijke waarden omvat hier de gebieden van het spirituele, het intellectuele, het morele en het esthetische. Ook tussen deze gebieden onderling moet een zeker evenwicht of harmonie gegeven zijn, wil het begrip cultuur van toepassing zijn. Door van evenwicht te spreken en niet van volstrekte hoogte, behoudt men zich voor, ook vroege, of lage, of ruwe beschavingstoestanden niettemin als cultuur te waarderen, zonder te vervallen in eenzijdige overschatting van de ver voortgeschreden beschavingen, of in eenzijdige waardering van één bepaalde cultuurfactor, hetzij godsdienst, kunst, recht, staatskracht of wat ook. De toestand van evenwicht bestaat bovenal hierin, dat de verschillende cultuuractiviteiten elk voor zich in de samenhang van het geheel een zo levend mogelijke functie hebben. Is zulk een harmonie der cultuurfuncties aanwezig, dan zal zij zich openbaren in orde, krachtige geleding, stijl, ritmisch leven van de desbetreffende maatschappij.

Een cultuur kan hoog heten, al brengt zij geen techniek of geen beeldhouwkunst voort, maar niet, als zij de barmhartigheid mist.



Het spreekt vanzelf, dat men bij de historische waardering van culturen zich evenmin als bij de waardering der eigen omgeving kan losmaken van de normen, die het oordelende subject laat gelden. Men zal altijd het ene als gewenste eigenschap, het andere als ongewenste aanmerken. Hierbij is op te merken, dat de algemene kwalificatie als hoge of lage cultuur tenslotte in de diepste grond schijnt bepaald te worden niet door de intellectuele, noch door den esthetische graadmeter, maar door den ethische en de spirituele. Een cultuur kan hoog heten, al brengt zij geen techniek of geen beeldhouwkunst voort, maar niet, als zij de barmhartigheid mist.

De tweede grondtrek van cultuur is deze: alle cultuur houdt een streven in. Cultuur is gerichtheid, en deze richting is altijd die op een ideaal, en wel op een ideaal, dat meer is dan dat van een individu, op een ideaal der gemeenschap. Dit ideaal kan van zeer verschillende aard zijn. Het kan zuiver geestelijk zijn: zaligheid, godsnabijheid, slaking van alle banden, of wel kennis, hetzij logische of mystieke: de kennis der natuurlijke wereld, de kennis van het ik en van de geest, de kennis van het goddelijke. Het ideaal kan van maatschappelijke aard zijn: eer, aanzien, macht, grootheid, maar dit alles altijd: van de gemeenschap. Het kan van economische aard zijn: rijkdom, welvaart, of van hygiënische: gezondheid. Het ideaal betekent voor de dragers van de cultuur altijd het heil. Het heil der gemeenschap, heil hier of elders, nu of later.

Of nu het oogmerk is het hiernamaals of de naaste aardse toekomst, de wijsheid of de welstand, voorwaarde tot het nastreven of bereiken ervan is altijd veiligheid en orde. In haar wezen als een streven ligt voor elke cultuur de eis tot handhaving van orde en veiligheid gebiedend voorgeschreven. Uit de eis van orde spruit alles wat gezag is, uit de behoefte aan veiligheid alles wat recht is. In honderd vormen van gezags- en rechtsstelsel configureren zich altijd opnieuw de mensengroepen, wier streven naar een heil zich manifesteert in een cultuur.

Cultuur betekent beheersen van natuur.


Concreter en positiever dan de twee genoemde grondtrekken: een evenwicht en een streven, is de derde, eigenlijk de eerste en oorspronkelijkste trek, die alle cultuur stempelt. Cultuur betekent beheersen van natuur. Cultuur is aanwezig van het ogenblik af, dat de mens heeft ervaren, hoe de hand, met de ruwe stenen beitel gewapend, dingen vermag, die zonder deze buiten zijn bereik lagen. Hij heeft zich een stuk natuur dienstbaar gemaakt. Hij beheerst de natuur,de vijandige en de schenkende. Hij heeft gereedschap verworven, hij is homo faber geworden. Hij gebruikt die krachten tot verwerven, van een levensbehoefte, tot vervaardigen, van een werktuig, tot beschutten, van zich en de zijnen, tot vernietigen, van jachtdier, roofdier of vijand. Voortaan verandert hij de loop van het natuurleven, want al de gevolgen, met zijn werktuig teweeggebracht, zouden zonder die macht niet zijn ingetreden.

Ware deze trek, de beheersing van natuur, de enige voorwaarde voor de aanwezigheid van cultuur, er zou geen reden zijn, aan mieren, bijen, vogels, bevers het bezit van cultuur te ontzeggen. Alle toch maken zich voorwerpen uit de natuur ten nutte door er iets nieuws van te maken. De dierenpsychologie moge uitmaken, in hoeverre men aan die handelingen reeds een doelvoorstelling, een streven dus naar een heil, aanwezig mag achten. Zou dit zo zijn, dan zou de toekenning van cultuur aan de dierenstaat toch niettemin blijven afstuiten op een zekere logische reactie, dat de term daarop niet past. Een bij of bever van cultuur, het gaat niet, er blijft in de voorstelling iets absurds. De geest laat zich niet zo gemakkelijk wegcijferen, als het sommigen schijnt.

Inderdaad is met beheersing van natuur in de zin van bouwen en schieten en braden nog maar de helft gezegd. Het rijke woord natuur betekent ook menselijke natuur, en ook deze wil beheerst worden. Reeds in de eenvoudigste stadiën van samenleving wordt de mens zich bewust, dat hij iets verschuldigd is. Bij het dier, dat zijn jong verzorgt en verdedigt, kan men in die functie zulk een bewustzijn nog niet gegeven achten, al is het dier ons lief om het vervullen ervan. Eerst in het menselijk bewustzijn wordt de zorgende functie tot plicht. Die plicht is slechts tot geringe omvang door de natuurlijke verhoudingen als moederschap en gezinsbescherming geboden. De verplichting breidt zich al vroeg uit, in de vorm van taboes , conventies, regelen van gedrag, cultusvoorstellingen. Het gemakkelijk gebruik van het woord taboe heeft in wijde kringen geleid tot een materialistisch-gedachte onderschatting van het ethisch karakter van de zogenaamde primitieve culturen. Om niet te spreken van de sociologische richting, die, met ongehoorde, waarlijk moderne onnozelheid, ter beoordeling ook van ontwikkelde cultuur, alles wat moraal, recht, godsvrees heet, maar eenvoudig in de fles stopt waarop taboe staat.

De ontworteling van het dienstbegrip in de volksgeest is de meest verwoestende actie van het oppervlakkig rationalisme der achttiende eeuw geweest.


Een ethisch gehalte is in het gevoel van verschuldigd zijn aanwezig, zodra, hetzij de verplichting een anderen mens geldt of een instelling of een geestelijke macht, het een verplichting is, die men ook zou kunnen weigeren. De mening, als zou in de primitieve beschaving de gehoorzaamheid aan de maatschappelijke plichtenleer mechanisch en onafwijsbaar volgen, is door etnologen als Malinowski als onhoudbaar bewezen. Wordt derhalve in een gemeenschap die gehoorzaamheid in de regel in acht genomen, dan geschiedt dit onder een volwaardige ethische impuls, en dan is daarin verwezenlijkt de voorwaarde beheersing van natuur in de vorm van bedwinging van eigen menselijke natuur.

Hoe meer zich in een cultuur de bijzondere gevoelens van verschuldigd zijn rangschikken en voegen onder één beginsel van menselijke afhankelijkheid van een hoogste macht, des te zuiverder en vruchtbaarder zal zich het begrip realiseren, dat voor alle ware cultuur onmisbaar is: dat van dienst. – Van de dienst Gods af tot die van een door eenvoudige maatschappelijke verhouding boven iemand geplaatste persoon toe. De ontworteling van het dienstbegrip in de volksgeest is de meest verwoestende actie van het oppervlakkig rationalisme der achttiende eeuw geweest.

Vatten wij samen wat hier als algemene grondvoorwaarden en grondtrekken van cultuur werd gesteld, dan zou een benaderende omschrijving van het begrip cultuur, die, gelijk reeds gezegd, geen aanspraak maakt op de hoedanigheid van een exacte definitie, kunnen luiden: cultuur als gesteldheid van een gemeenschap is aanwezig, wanneer de beheersing van natuur op materieel, moreel en geestelijk gebied een toestand gaande houdt, die hoger en beter is dan de gegeven natuurlijke verhoudingen meebrengen, met als kenmerken een harmonisch evenwicht van geestelijke en stoffelijke waarden en een in hoofdzaak homogeen bepaald ideaal, waarheen de verschillende activiteiten van de gemeenschap samenstreven.

Zijn in het tijdperk dat wij beleven de grondvoorwaarden van cultuur vervuld?


Is de bovenstaande omschrijving – waaruit het waardeoordeel hoger en beter, al laat het daarin een subjectief element over, niet is weg te werken – enigermate juist, dan volgt nu de vraag: zijn in het tijdperk dat wij beleven de grondvoorwaarden van cultuur vervuld?

Cultuur veronderstelt beheersing van natuur. Deze voorwaarde schijnt inderdaad vervuld in een mate als nooit te voren in enige beschaving, waarvan wij kennis hebben. Krachten waarvan een eeuw geleden het bestaan nog nauwelijks vermoed werd en aard en mogelijkheden volslagen onbekend waren, zijn op duizend wijzen in de kluisters van menselijk kunnen geslagen, met een uitwerking in verten en diepten, waarvan een mensenleeftijd eerder niemand droomde. En nog bijna dagelijks gaat de vinding van onbekende natuurkrachten en van de middelen om ze te beheersen voort.

De stoffelijke natuur ligt alom aan banden, die door de mens gesmeed of gevlochten zijn. Hoe staat het met de beheersing van menselijke natuur? Wijs hier niet op de triomfen van psychiatrie en sociale voorzorg en bestrijding van de misdaad. Beheersing van menselijke natuur kan enkel betekenen een mensheid, die, elk voor zich, zichzelf beheerst. Doet zij dat? Of althans, want het volmaakte is haar niet gegeven, doet zij het in evenredigheid tot haar grenzeloos gestegen beheersing der stoffelijke natuur? – Wie zou het durven bevestigen! Schijnt het niet veeleer maar al te vaak, alsof de menselijke natuur zelve, in de vrijheid, die de heerschappij over het stoffelijke haar heeft verschaft, weigert, zichzelf te laten beheersen, en alles afwijst, wat als meer dan natuur door de geest verworven scheen? In naam van de rechten der menselijke natuur wordt het verplichtend gezag van een volstrekt geldige ethische grondwet alom in twijfel getrokken. De voorwaarde: beheersing van natuur, is slechts ten halve vervuld.

De stoffelijke natuur ligt alom aan banden, die door de mens gesmeed of gevlochten zijn.


Aan het vervuld zijn van de tweede voorwaarde: dat een cultuur gedragen moet zijn door een in hoofdzaak homogeen streven, ontbreekt alles. Het verlangen naar heil, dat elke gemeenschap en elke enkele drijft, neemt honderd vormen aan. Iedere groep streeft naar haar eigen heil, zonder dat deze partiële heilsstrevingen zich verbinden in één boven alles en allen uitstekend ideaal. Eerst de uitdrukking van zulk een algemeen ideaal, hetzij bereikbaar of een illusie, zou de volle gelding van een begrip de hedendaagse cultuur wettigen, al kan men in ruimer zin daarvan blijven spreken. Zo hadden oudere tijdperken als algemeen erkend ideaal: de ere Gods, hoe ook verstaan, de gerechtigheid, de deugd, de wijsheid. Verouderde metafysische begrippen van onvoldoende bepaaldheid, zegt de geest van de tijd. Maar met het prijsgeven van zulke begrippen is de eenheid der cultuur in twijfel gesteld. Want wat er voor in de plaats treedt is slechts een som van onderling strijdige wensen. De termen, die alle hedendaagse cultuurstreven verbinden, zijn enkel te vinden in de reeks: welstand, macht, veiligheid (ook vrede en orde vallen daaronder), alles idealen meer geschikt om te verdelen dan om te verenigen, en alle terstond voortvloeiend uit het natuurinstinct, onveredeld door de geest. Reeds de holbewoner kende deze idealen.

Nu spreekt men tegenwoordig veel van nationale culturen en van klasse-culturen, dat wil zeggen, dat het begrip cultuur ondergeschikt wordt gemaakt aan een welstands-, machts- en veiligheidsideaal. Met zulk een onderschikking verplaatst men het begrip feitelijk op het animale niveau, waar het zinloos wordt. Men vergeet, zodoende, de paradoxale, maar op grond van het voorafgaande onafwijsbare conclusie, dat er voor het begrip cultuur eerst plaats is, wanneer het ideaal, dat haar gerichtheid bepaalt, uitgaat buiten en boven de belangen van de gemeenschap zelve, die haar draagt. Cultuur moet metafysisch gericht zijn, of zij zal niet zijn.

Is in de huidige wereld, West of Oost, dat evenwicht tussen geestelijke en stoffelijke waarden aanwezig, dat wij als voorwaarde van cultuur aannamen?


Is in de huidige wereld, West of Oost, dat evenwicht tussen geestelijke en stoffelijke waarden aanwezig, dat wij als voorwaarde van cultuur aannamen? Een bevestigend antwoord schijnt nauwelijks mogelijk. Er is intensieve productie in beide richtingen, ja, maar evenwicht? Een harmonie, een gelijkwaardigheid van het stoffelijk kunnen en het geestelijke?

Rondom schijnen de verschijnselen van dn dag elke gedachte aan een waarlijk evenwicht te beletten. Een tot de uiterste volmaaktheid en doelmatigheid verheven voortbrengingsapparaat brengt dagelijks producten voort en werkingen teweeg, die niemand wenst, die niemand gebruiken kan, die iedereen vreest, die velen verachten als onwaardig, onzinnig, ondeugdelijk. De katoen wordt ondergespit, om de markt te ontzien, het oorlogstuig vindt grage kopers, maar niemand wenst, dat het gebruikt zal worden. De disproportie tussen het volmaakte productieapparaat en de mogelijkheid het tot nut aan te wenden, overproductie naast nood en werkloosheid, ze laten voor een begrip van evenwicht nauwelijks plaats. Er is intellectuele overproductie evengoed, een voortdurend teveel van het gedrukte of door de ether geslingerde woord en een schier hopeloze divergentie der gedachte. Rondom de kunstproductie heeft zich de vicieuze cirkel gesloten, waarbinnen de kunstenaar van de publiciteit en daarmee van de mode, en deze beide weer van het commercieel belang afhangen. Van het staatsleven af tot het gezinsleven toe schijnt een ontwrichting aan de orde, als zich nooit te voren voordeed. Evenwicht? neen, dat zeker niet.


Lees verder

Noten

Dit stuk vormt hoofdstuk IV van In de Schaduwen van morgen: een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd.

  1. Belezenheid