Het conflict tussen kennis en godsdienst


Gedurende de vorige eeuw1 en een deel van de eeuw daarvoor, was men algemeen van mening dat er een niet te beslechten conflict bestond tussen kennis en godsdienst. Geleerde koppen waren veelal van mening dat het tijd werd dat godsdienst vervangen zou worden door kennis. Geloof dat niet op kennis berustte was bijgeloof, en moest als zodanig worden bestreden. Volgens deze opvattingen was de enige functie van opvoeding de weg tot denken en weten te openen, en de school – het orgaan bij uitstek voor opvoeding – moest slechts dit doel dienen.

Tegenwoordig zal men deze opvatting in zo’n extreme vorm zelden meer tegenkomen. Ieder redelijk mens zal de eenzijdigheid van zo’n standpunt meteen inzien. Maar men doet er goed aan een stelling in zijn meest extreme en naakte vorm naar voren te brengen indien men in eigen denken een helder antwoord wil krijgen op de merites ervan.

Het is waar dat overtuiging het overtuigendst klinkt wanneer ze gestoeld is op ervaring en helder denken. Wat dit punt betreft moeten we het zonder kanttekeningen eens zijn met de extreme rationalisten. Het zwakke punt in deze opvatting is echter dat overtuigingen die noodzakelijk en bepalend zijn voor ons gedrag en ons waardeoordeel, niet eenzijdig langs wetenschappelijke weg gevonden kunnen worden.

Men kan over de meest heldere en complete kennis beschikken van wat is, en toch niet in staat zijn om van daaruit de conclusies te trekken wat het doel van menselijk streven nu eigenlijk zou moeten zijn.


De wetenschap kan ons niets anders vertellen dan hoe feiten met elkaar samenhangen en door elkaar beïnvloed worden. Het streven naar objectieve kennis behoort tot het hoogste waartoe een mens in staat is, en u hoeft mij er echt niet van te verdenken de prestaties en de heldhaftige ondernemingen van mensen op dit gebied te willen bagatelliseren. Maar het is evenzeer duidelijk dat kennis van wat is niet automatisch de deur opent tot dat wat zou moeten zijn. Men kan over de meest heldere en complete kennis beschikken van wat is, en toch niet in staat zijn om van daaruit de conclusies te trekken wat het doel van menselijk streven nu eigenlijk zou moeten zijn. Objectieve kennis geeft ons krachtig gereedschap om tot bepaalde doeleinden te komen, maar wat het doel zal zijn en het verlangen ernaar, zal uit andere bron moeten komen. En ik denk niet dat het debat tot gevolg heeft wanneer ik stel dat ons bestaan en ons handelen slechts betekenis krijgen wanneer we ons doelen en bijpassende waarden stellen. De kennis van wat waar is is op zich geweldig, maar het is zelfs zo slecht in staat ons te dienen als gids dat het zelfs niet de rechtvaardiging van het streven naar waarheid en ware kennis kan bewijzen. Puur rationeel denken over ons bestaan heeft dus zijn beperkingen.

Maar we moeten ook weer niet denken dat we intelligent denken maar op een zijspoor kunnen zetten, wanneer we bezig zijn met doelstellingen en ethische oordelen. Wanneer iemand opmerkt dat iets bereikt kan worden bij aanwending van een bepaald middel, dan wordt het middel zelf het volgende doel. Intelligentie laat ons de relatie zien tussen het doel en de middelen. Maar het denken op zich kan ons niet een begrip van het uiteindelijke en als basis dienende doel schenken. De godsdienst nu dient naar mijn mening om basisdoeleinden en basiswaarden duidelijk te maken en ze stevig in het emotionele leven van het individu te plaatsen. Indien men vraagt waar de autoriteit voor zulke doelstellingen van afgeleid wordt – aangezien ze niet met behulp van het aanwenden van puur rationeel denken aangetoond kan worden – kan men slechts op één manier antwoord geven: ze bestaan in een gezonde maatschappij al als krachtige tradities, en doen voortdurend een beroep op het streven en de waardeoordelen van individuen, d.w.z. ze bestaan als iets levends om ons heen, zonder dat zij bewijs nodig hebben. Zij ontstaan niet door het bewijs ervoor te leveren, maar als openbaring, vanwege het optreden van krachtige persoonlijkheden. Het gaat er niet zozeer om ze te rechtvaardigen, maar slechts om eenvoudigweg er kennis van te nemen en hun natuur te ontwaren.


Wij in onze maatschappij hebben de hoogste aspiraties en waardeoordelen via de joods-christelijke traditie gekregen. Deze doelstellingen zijn hoog gesteld, we kunnen er slechts ten dele aan beantwoorden, maar het geeft ons een basis voor waarnaar we streven. Indien we het doel van zijn religieuze kleren zouden ontdoen en slechts naar de puur menselijke kanten ervan kijken, zou men de doelstelling zo onder woorden kunnen brengen: wij streven naar een vrije en verantwoordelijke ontwikkeling voor ieder individu, zodat een ieder zijn krachten vrijwillig en goed geluimd in dienst van de gehele mensheid zal stellen.

Er is in deze opvatting geen plaats voor de vergoddelijking van een bepaald volk, een bepaalde klasse, laat staan voor een bepaald persoon. In religieuze taal zou men zeggen: Zijn wij niet allen kinderen van één vader? We kunnen zo ver gaan te zeggen dat ook de vergoddelijking van het gehele menselijke ras als een abstract geheel geen eer doet aan dit nobele ideaal. De ziel is slechts aan ieder individu gegeven. En de hoogste vorm van het individu is eerder te dienen dan gediend te worden, of zichzelf aan het geheel op te dringen.

Indien men tot de kern van dit denken doordringt zal men zien dat deze woorden ook een politieke betekenis hebben. De ware democraat zal zijn land net zo weinig bewieroken als de ware religieuze mens.

Indien men deze hoge idealen voor ogen houdt, en ze vergelijkt met het leven en de geest van onze tijd, dan kan men niet anders dan concluderen dat onze beschaafde wereld zich op dit moment in zeer ernstig gevaar bevindt.


Wat is zo gedacht de functie van opvoeding en de school? Zij zouden moeten helpen de jonge mens zo te laten opgroeien dat deze fundamentele principes de lucht zijn die deze opgroeiende mens in- en uitademt. Lesgeven op zich kan zoiets niet doen.

Indien men deze hoge idealen voor ogen houdt, en ze vergelijkt met het leven en de geest van onze tijd, dan kan men niet anders dan concluderen dat onze beschaafde wereld zich op dit moment in zeer ernstig gevaar bevindt. In de totalitaire staten zijn de alleenheersers bezig met het vernietigen van de geest van bovengenoemde menselijkheid. In andere delen van de wereld hebben we te maken met nationalisme en intolerantie, en ook met onderdrukking van individuen met behulp van economische middelen. Op vele plaatsen dreigen de meest waardevolle tradities te stikken.

Gelukkig zijn er steeds meer denkende mensen die zich bewust worden van de ernst van de situatie, en er wordt overal gezocht naar uitwegen. Zulke pogingen zijn natuurlijk welkom. Maar de antieke wereld wist iets wat wij naar het schijnt vergeten zijn: alle middelen werken als botte messen indien ze niet gedragen worden door een levende geest. Indien het verlangen naar hoge idealen krachtig in ons leeft zullen we de kracht om onze idealen te verwerkelijken verkrijgen en ze in daden omzetten.



Lees verder


Noten

Redevoering gehouden op 19 mei 1939, Princeton Theological Seminary.

Vertaald door: Albert Vollbehr

Bron: Volwassen geloof

  1. Einstein verwijst naar de 19e eeuw, inmiddels dus de eeuw voor de vorige.