Waarom de massamens overal ingrijpt en waarom altijd met geweld


Zoals wij dus zeiden, is er iets buitengewoon paradoxaals gaande dat in de grond van de zaak toch zeer natuurlijk is: dat juist doordat de wereld en het leven zich voor de gemiddelde mens hebben geopend, diens ziel zich heeft gesloten. Ik meen nu dat in deze geslotenheid van de ziel van de gemiddelde lieden de opstand der massa’s ligt, en deze opstand der massa’s is het ontzagwekkende probleem dat heden ten dage aan de mensheid wordt gesteld.

Het is mij niet onbekend dat velen van hen die deze regels lezen, hier niet op dezelfde wijze over denken. Ook dat is zeer natuurlijk, en het is enkel een bevestiging van mijn grondstelling. Indien immers ook mijn mening een dwaling mocht blijken te zijn, dan blijft het feit overeind staan dat velen van hen die het niet met mij eens zijn, nog geen vijf minuten over deze ingewikkelde kwestie hebben nagedacht. Hoe zouden zij dus dezelfde mening kunnen hebben? Juist door te geloven dat zij het recht hebben over deze kwestie een mening te hebben zonder eerst de moeite te nemen deze zorgvuldig te vormen, blijkt ten duidelijkste dat zij behoren tot het absurde slag mens dat ik ‘opstandige horde’ heb genoemd. Een dergelijke houding is juist het bewijs dat men een volstrekt gesloten ziel heeft. Hier is sprake van onontvankelijkheid in intellectueel opzicht. Zo iemand vindt een aantal ideeën in zichzelf en besluit zich daarmee tevreden te stellen en zichzelf  als intellectueel volkomen te beschouwen. Doordat hij niet het gemis voelt van datgene waar het hem aan ontbreekt, huisvest hij zich voorgoed in het kleine beetje waarover hij beschikt. Op deze wijze voltrekt zich zijn totale afsluiting van de wereld.

De massamens voelt zich een volmaakt wezen.


De massamens voelt zich een volmaakt wezen. Een uitzonderlijk mens kan zich alleen volmaakt voelen als hij bijzonder ijdel is, en dit geloof in zijn volmaaktheid is hem niet wezenlijk eigen, het komt niet spontaan in hem op, maar is het gevolg van zijn ijdelheid. Om die reden blijft het ook voor hem nog een twijfelachtig karakter behouden, en daarom heeft deze ijdele mens andere mensen nodig, hij zoekt in hen de bevestiging van de mening die hij over zichzelf wil hebben. Zelfs in dit ziekelijk geval dus, zelfs als hij ‘verblind’ is door ijdelheid, zal het een edele mens niet lukken zichzelf inderdaad volmaakt te voelen. Het komt echter bij de middelmatige mens die onze tijdgenoot is, de nieuwe Adam, niet op om te twijfelen aan zijn eigen volkomenheid. Zijn vertrouwen in zichzelf is evenals bij Adam paradijsachtig. De volstrekte afgeslotenheid van ziel die hem wezenlijk eigen is, verhindert hem zich te vergelijken met anderen, en de vergelijking met anderen is de noodzakelijke voorwaarde om tot de ontdekking van eigen ontoereikendheid te komen. Zich vergelijken met anderen zou inhouden dat hij een ogenblik uit zichzelf zou treden en zich in zijn naaste zou verplaatsen. De middelmatige ziel is echter tot zulk een transmigratie niet in staat, het is een sport enkel voor de allerhoogsten.

Wij staan nu voor hetzelfde verschil dat er altijd is tussen de dwaas en de scherpzinnige. Deze laatste betrapt er zich telkens op dat het maar een haar scheelt of hij zou een dwaas zijn, en daarom spant hij zich in om aan die dwaasheid die hem belaagt te ontkomen. In deze inspanning ligt de intelligentie. De dwaas daarentegen heeft niet het flauwste vermoeden van zijn dwaasheid: hij komt zichzelf heel schrander voor, en daaruit komt die benijdenswaardige rust voort waarmee de onnozele hals zich in zijn eigen domheid nestelt. Evenmin als men dat bepaalde slag insecten dat in gaten huist, uit het gat waarin zij genesteld zijn kan uitdrijven, zomin is er enige kans de dwaas uit zijn dwaasheid te krijgen. Het is onmogelijk hem een klein stukje mee te voeren tot buiten zijn nauwe kringetje, en hem ertoe te dwingen zijn gewone uiterst gebrekkige zienswijze te vergelijken met een scherpere blik. De dwaas is levenslang tot zijn domheid gedoemd; daar is geen verhelpen aan. Dit is de reden waarom Anatole France zei dat de dwaas noodlottiger is dan de schurk. Want de schurk komt zo af en toe nog eens tot rust, maar de dwaas nooit.1

niet dat het gros van de mensen gelooft dat hij niet vulgair is, maar dat ze het het recht om vulgair te zijn trots voor zichzelf opeisen


Dit wil echter niet zeggen dat de massamens dom is. Integendeel, de massamens van onze dagen is vernuftiger, verstandelijk begaafder dan die van de vroegere tijdvakken ooit geweest is. Deze begaafdheid dient hem echter niet, strikt genomen brengt het vage gevoel dat hij erover beschikt hem er slechts meer toe zich in zichzelf op te sluiten en deze begaafdheid niet te gebruiken. Hij beschouwt voor zijn verdere bestaan de verzameling vooroordelen, dooddoeners, brokstukken van ideeën of simpelweg lege woorden die zich bij toeval in zijn hoofd hebben opgestapeld als een plechtig bezit, en hij zal ze overal poneren met een brutaliteit die alleen door zijn naïviteit verklaard kan worden. Dit is wat ik in een eerder hoofdstuk een kenmerkende trek van onze tijd noemde: niet dat het gros van de mensen gelooft dat hij niet vulgair is, maar dat ze het het recht om vulgair te zijn trots voor zichzelf opeisen, en hun vulgariteit aan anderen opleggen.


De dwang die de vulgariteit nu in intellectueel opzicht uitoefent op het openbare leven, is misschien de nieuwste factor van de tegenwoordige toestand, en als zodanig het minst met ook maar iets uit het verleden te vergelijken. In ieder geval heeft in de hele geschiedenis van Europa tot op de dag van vandaag de grote hoop nooit geloofd dat hij “ideeën” over de dingen had. Hij had zijn verschillende geloofsvoorstellingen, zijn overleveringen, zijn ervaringen, zijn spreekwoorden en zijn bepaalde denkwijzen, maar hij heeft zich nooit verbeeld theoretische meningen te hebben over hoe de dingen zijn of zouden moeten zijn – bijvoorbeeld op het gebied van politiek of literatuur. Het kwam hem goed of slecht voor wat de politicus ontwierp of verrichtte; hij sloot zich daarbij aan of hij trok zich ervan terug, maar zijn houding was tenslotte niet anders dan het gevolg van de scheppende daad van anderen, waarvan hij de terugwerking onderging, positief of negatief. Het is nooit in hem opgekomen zijn eigen ideeën te stellen tegenover die van de politicus, hij had zelfs geen eigen denkbeelden om die als richtsnoer te gebruiken ter beoordeling van de ideeën van de staatsman. Zo was het ook in de kunst en op de andere gebieden van het openbare leven. Een ingeboren besef van zijn eigen beperktheid, van niet bevoegd te zijn een theoretische beschouwing te houden over de dingen, hield hem daarvan beslist terug.2 Het daar onmiddellijk uit voortvloeiende gevolg was dat de grote hoop er niet aan dacht, zelfs ook maar uit de verte, beslissende invloed te willen uitoefenen op de meeste verrichtingen van het openbare leven, die grotendeels van theoretische aard zijn.

Tegenwoordig echter heeft de gemiddelde man zijn zogenaamde “ideeën” over alles wat er in het heelal gebeurt en gebeuren moet. Daardoor heeft hij het verleerd te luisteren. Waarom zou hij luisteren als hij alles wat hij nodig heeft in zichzelf heeft? Er is geen reden meer tot luisteren, integendeel, hij moet oordelen, uitspraak doen over de dingen, beslissen. Er is geen vraagstuk meer in het openbare leven waarin hij zich niet mengt, zo blind en doof als hij is, en hij schrijft zijn “meningen” overal voor.

Tegenwoordig echter heeft de gemiddelde man zijn zogenaamde “ideeën” over alles wat er in het heelal gebeurt en gebeuren moet.



Maar is dit dan geen voordeel? Is het geen ontzaglijke vooruitgang dat de massa’s “ideeën” hebben, dat wil zeggen, dat zij ontwikkeld zijn? Zeker niet. De “ideeën” van deze gemiddelde man zijn geen waarachtige ideeën, en evenmin is zijn bezit cultuur. De idee is een zet om de waarheid te winnen. Wie ideeën wil hebben, moet eerst zo gesteld zijn dat hij de waarheid wil winnen, en hij moet derhalve de spelregels die zij voorschrijft aanvaarden. Het heeft geen zin te spreken van ideeën en meningen als men niet eerst een beginsel aanvaardt waarnaar zij geregeld worden, een geheel van normen waarop men zich bij de discussie kan beroepen. Het is voor mij bijzaak welke normen dat zijn. Ik zeg slechts dat er geen sprake kan zijn van gedegen ontwikkeling als er geen normen zijn waarop de ander beroep kan doen. Er is geen cultuur als er geen beginselen zijn van burgerlijke rechtsgeldigheid. Er is ook geen cultuur als men geen eerbied heeft voor sommige verstandelijke grondstellingen waarop men bij de gedachtewisseling beroep kan doen. 3 Er is ook geen cultuur als er in economische betrekkingen geen handelswetgeving is die beschermt en regelt. Er is evenmin cultuur als aan polemieken op esthetisch gebied geen gebod van de rechtvaardiging van een kunstwerk ten grondslag ligt.

En laten wij ons geen illusies maken, het is juist deze heerschappij die nu in Europa komt door de groeiende opstand der horden.


Indien al deze vereisten ontbreken, is er geen cultuur; dan is er in de meest strikte zin van het woord een heerschappij van de barbaren. En laten wij ons geen illusies maken, het is juist deze heerschappij die nu in Europa komt door de groeiende opstand der horden. De reiziger die in een land van barbaren komt, weet dat er daar geen beginsels zijn waarop hij zich kan beroepen. Strikt genomen hebben de barbaren geen normen. De barbaarsheid bestaat juist in de afwezigheid van normen en de mogelijkheid om ergens beroep op te doen.

De graad van cultuur wordt aangegeven door de meerdere of mindere nauwkeurigheid van de richtsnoeren. Is deze nauwkeurigheid gering, dan regelen de richtsnoeren het leven slechts grosso modo; is deze nauwkeurigheid echter groot, dan bepalen zij zelfs het kleinste onderdeel van de uitoefening van de openbare verrichtingen.

Een ieder is in staat zich er rekenschap van te geven dat er sinds jaren in Europa “vreemde dingen” zijn gaan gebeuren. Om een tastbaar voorbeeld van deze vreemde dingen te geven, zal ik slechts enkele politieke bewegingen noemen, zoals het syndicalisme en het fascisme. Laat niemand zeggen dat zij slechts vreemd schijnen omdat zij nieuw zijn. Het enthousiasme voor iedere nieuwigheid zit de Europeaan zo in het bloed, dat dit oorzaak is geworden dat zijn geschiedenis meer bewogen is dan enige andere bekende geschiedenis. We schrijven hetgeen deze nieuwe feiten aan vreemds hebben dus niet toe aan hun nieuwigheid, maar aan de zeer ongewone kenmerken van deze nieuwigheden. In de gedaanten van syndicalisme en fascisme komt thans voor het eerst in Europa een slag mens naar voren die geen redenen wenst op te geven en er zich evenmin om bekommert of hij gelijk heeft, maar die zich heel eenvoudig vastbesloten toont zijn meningen aan allen op te leggen. Dit is het nieuwe: het recht te hebben ongelijk te hebben, het recht op de onredelijkheid. Hierin is, naar ik meen, de nieuwe aard van de massa’s wel het duidelijkst tot openbaarheid gekomen, zij hebben namelijk besloten de samenleving te besturen zonder daar bekwaam toe te zijn. In de politieke gedragingen toont zich de nieuwe zielsgesteldheid op de boudste en bondigste manier, en men kan deze alleen verklaren door haar hermetische afgeslotenheid in intellectueel opzicht. De gemiddelde mens vindt “ideeën” in zichzelf, maar hij is niet in staat zelf denkbeelden te vormen in logische samenhang. Hij heeft zelfs geen vaag vermoeden van de subtiele sfeer der ideeën. Hij wil een eigen oordeel vellen, maar wenst de voorwaarden en eerste eisen van alle redelijk denken niet te aanvaarden. Daardoor zijn zijn “ideeën” in de grond van de zaak niet anders dan begeerten met woorden, en de woorden ervan zijn er even bijkomstig als die van de muzikale romances.

Men verwerpt de normale omgangsvormen en gaat onmiddellijk over tot het algemeen verplicht maken van wat men wenst.


Een idee hebben houdt in dat men gelooft er de redenen toe te bezitten, en dat men derhalve gelooft in het bestaan van een bewijsgrond, een wereld van begrijpbare waarheden. Een denkbeeld vormen of een mening hebben omtrent iets is dus hetzelfde als een beroep doen op deze instantie, zich daaraan onderwerpen, haar wetboek en uitspraak aanvaarden, dus geloven dat de hoogste vorm van de samenleving de samenspraak is waarin de redenen voor onze denkbeelden worden besproken. Doch de massamens zou zich verloren gevoelen als hij de discussie aanvaardde, en daarom verwerpt hij instinctief de verplichting deze hoogste instantie die buiten hem ligt te eerbiedigen. Het “nieuwe” in Europa is derhalve het “opheffen van de discussies”, en men heeft een afkeer van iedere vorm van samenleving die berust op de erkenning van objectieve richtsnoeren, van de gewone gedachtewisseling tot die in het parlement aan toe, de daarbij wetenschap inbegrepen. Dit wil dus zeggen dat men afziet van culturele samenleving, welke een samenleving is die aan normen is gebonden, en dat men terugvalt tot een barbaarse maatschappij. Men verwerpt de normale omgangsvormen en gaat onmiddellijk over tot het algemeen verplicht maken van wat men wenst. De hermetische afgeslotenheid van ziel die, zoals wij hebben gezien, de horde ertoe aandrijft in het gehele openbare leven in te grijpen, brengt haar er ook onverbiddelijk toe het enige middel tot ingrijpen te gebruiken dat haar ten dienste staat, namelijk: de directe actie.

Als men er eens toe zal komen de wording van onze tijd te reconstrueren, zal men bemerken dat de eerste tonen van zijn bijzondere melodie hebben weerklonken in de groepen van Fransche syndicalisten en realisten van omstreeks 1900, de uitvinders van zowel de handelswijze als de woorden: “directe actie”. De mens heeft in alle tijden zijn toevlucht gezocht bij het geweld; soms was dit redmiddel een misdaad, en dit boezemt ons als zodanig geen belang in. Doch het kwam ook wel voor dat men pas zijn toevlucht tot geweld nam, als alle andere middelen die men meende te hebben ter verdediging van de rede en het recht, vruchteloos waren gebleken. Het is zeer te betreuren dat de menselijke geaardheid bij herhaling tot deze vorm van geweld voert, maar het is onloochenbaar dat hij de grootste hulde aan de rede en het recht is. Dit geweld immers is niet anders dan de tot het uiterste geprikkelde rede. De kracht was dan inderdaad de ultima ratio. Men heeft deze uitdrukking gewoonlijk nogal dom als ironisch opgevat, terwijl toch heel duidelijk te kennen wordt gegeven dat eerst het geweld aan de normen van de rede ondergeschikt was gemaakt. Nu beginnen wij dit echter heel helder in te zien omdat in onze tijd de volgorde omgekeerd is en het geweld tot prima ratio wordt uitgeroepen, dit wil dus zeggen, tot enige reden. Het geweld is dan de norm die de andere richtsnoeren nietig verklaart en iedere bemiddeling tussen onze begeerte en de oplegging daarvan aan anderen opheft. Het is de magna charta van de barbaarsheid.

Men moet er aan denken dat steeds wanneer de massamens om welke reden dan ook in het openbare leven heeft opgetreden, hij dit heeft gedaan in de vorm van de “directe actie”. Het was dus steeds de werkingswijze die aan de massa eigen is. De grondstelling van deze verhandeling wordt wel zeer bekrachtigd door het kennelijke feit dat, nu de bestuurlijke inmenging van de massamens in het openbare leven – van toevallig en schaars – normaal is geworden, de “directe actie” ook officiële erkenning krijgt.

Beschaving is bovenal de wens tot samenleven. Hoe minder rekening men houdt met de anderen, hoe onmaatschappelijker en barbaarser men is.


De gehele menselijke samenleving komt onder dit nieuwe bewind te vallen, waarin de indirecte instanties worden opgeheven. In de maatschappelijke omgang is de “welopgevoedheid” niet meer van belang. De literatuur wordt als “directe actie” niet anders dan persoonlijke aantijging. Bij betrekkingen tussen de seksen worden de formele omgangsvormen steeds meer achterwege gelaten.  

Formaliteiten, richtsnoeren, hoffelijkheid, bemiddelende gebruiken, gerechtigheid, rede! Hoe kwam men dit alles uit te vinden, hoe schiep men zulk een ingewikkelde constructie? Het wordt alles samengevat in het woord civilisatie dat door het begrip civis, burger, zijn eigenlijke oorsprong kenbaar maakt. Dit alles heeft ten doel de civitas, de gemeenschap, de samenleving mogelijk te maken. Daarom zijn al deze onderdelen van de beschaving in wezen aan elkaar gelijk. Zij alle komen voort uit de wens van de enkeling rekening te houden met al zijn naasten, en dit is de grondslag van de beschaving en de vooruitgang. Beschaving is bovenal de wens tot samenleven. Hoe minder rekening men houdt met de anderen, hoe onmaatschappelijker en barbaarser men is. De barbaarsheid is de neiging tot het verbreken van de gemeenschap. Zo hebben alle barbaarse perioden zich gekenmerkt door afsplitsingen van kleine, afzonderlijke groepen, die elkaar vijandig gezind waren.

Daarom moet men er zich niet over verbazen dat nu deze zelfde mensheid plotseling tot het besluit is gekomen dit alles weer op te geven.


De liberale democratie is de staatsvorm geweest waarin de wens tot samenleving het sterkst tot uiting is gekomen. Zij heeft het besluit om met de naaste te rekening te houden tot het uiterste doorgevoerd, en is het prototype van de “indirecte actie”. Het liberalisme was het staatkundig rechtsbeginsel krachtens welke de overheid, niettegenstaande zij almachtig was, zich tot zichzelf bepaalde en er, zelfs ten eigen koste, naar streefde een leegte te laten in de staat dien zij beheerste, om een levensmogelijkheid te geven aan hen die niet dachten en gevoelden als zij zelf, dat wil zeggen, als de sterksten, de meerderheid. Het liberalisme – het is nu van belang zich dit te herinneren – is de uiterste vorm van de inschikkelijkheid, het is het recht dat de meerderheid toekent aan de minderheden en is derhalve de edelste leuze die op de aardbol heeft weerklonken. Deze leuze verkondigt het besluit met de vijand, ja zelfs met een verzwakte tegenstander, in vrede te willen samenleven. Het was onwaarschijnlijk dat de mensheid iets zo liefs, zo paradoxaals, zo sierlijks, zo acrobatisch, zo tegennatuurlijks zou hebben bereikt. Daarom moet men er zich niet over verbazen dat nu deze zelfde mensheid plotseling tot het besluit is gekomen dit alles weer op te geven. Het is een te lastige en te ingewikkelde inspanning om hier op Aarde van blijvende duur te kunnen zijn.

In vrede samenleven met de vijand! Met de oppositie samen regeren! Begint zulk een zachtzinnigheid al niet onbegrijpelijk te worden? Niets doet de geaardheid van de tegenwoordige tijd scherper uitkomen dan het feit dat de landen waarin de oppositie nog bestaat zo gering in getal worden. In bijna alle landen rust een homogene massa loodzwaar op de openbare macht, en zij verplettert en vernietigt iedere tegenstrevende groep. De massa – wie zou het zeggen bij het zien van die samengedrongen, veelkoppige menigte – begeert geen samenleving met wat niet tot haar behoort. Zij heeft een dodelijke haat tegen alles wat buiten haar staat.


Leer verder


Noten

Dit stuk verscheen oorspronkelijk in de Madrileense krant El Sol, 15 november 1929.

Tevens vormt het hoofdstuk VIII van: La rebelión de las masas, De opstand der horden.

Vertaald door Johan Brouwer

  1. Vaak heb ik mij deze vraag gesteld: het is niet aan twijfel onderhevig dat het voor vele mensen een van de ergste folteringen in hun leven moet zijn om in aanraking, in botsing te komen met de domheid van hun naasten. Hoe is het dan niettemin mogelijk, dat men nooit eens – voor zover ik weet – geprobeerd heeft er een studie over te schrijven, een verhandeling over de domheid? Het bekende geschrift van Erasmus heeft hier immers geen betrekking op.
  2. Eigenlijk is alle meningsvorming theorievorming.
  3. Indien iemand in een gedachtewisseling met ons er zich niet om bekommert zich naar de waarheid te richten, indien hij niet de bedoeling heeft waarachtig te zijn, is hij in intellectueel opzicht een barbaar. En dit is inderdaad het geval met de massamens als hij spreekt, lezingen houdt of schrijft.