De ordening als grondstructuur van het wakker-zijn


Hier enkele woorden omtrent het begrip logos – ordening – waarvan Heraclitus de oudste aan ons bekende bron vertegenwoordigt. We zullen zien hoe deze voor het westerse denken zo fundamentele term zich verhoudt tot de alledaagse ervaring van het wakker-zijn.

Het werk van Heraclitus bereikt ons – zoals veel dingen – in fragmenten. Zijn boek, Over de Natuur, dat hij in de tempel van Artemis in Efeze1 ter inzage zou hebben gelegd, heeft de tand des tijds niet doorstaan. We weten niet of het überhaupt bestaan heeft, en in welke vorm dat dan was – of de fragmenten bijvoorbeeld bedoeld waren als de korte, kernachtige zinnen waar we nu over beschikken, of dat dit slechts het restant is van langere, doorlopende teksten. Wat we hebben zijn fragmenten als de citaten van filosofen als Plato, Aristoteles en Marcus Aurelius, en de biografie geschreven door Diogenus Laërtius.

De volgorde waarin deze fragmenten dienen te staan is dan ook een kwestie van interpretatie. We richten ons nu op de fragmenten die als introductie mogen dienen tot de term logos – woord, ordening, uitleg, gedachtegang – een term die verwijst naar dat wat aan alle bestaan ten grondslag zou liggen, een term die iets verklapt omtrent de taligheid van de wereld en een term die aan de basis staat van alle westerse filosofie, wetenschap en religie – en daarom van groot belang is voor een ieder die iets tracht te weten te komen over de wereld die de wakenden met elkaar delen.

Wel staat vast met welke fragmenten zijn werk begint, met de fragmenten die hier (en dus ook elders) als fragment 1 en 2 worden gepresenteerd, waarin Heraclitus zichzelf en zijn project aankondigt. Meteen in het begin spreekt hij over de eeuwige, onveranderlijk geldige ordening die het universele is in al dat maar onderscheiden kan worden: de logische structuur van het bestaan zelf.

Deze ordening, waar we ons nu op zullen richten, is dat wat alles met elkaar in verbinding stelt. Het is het meest algemene dat er maar is en het ligt dan ook open en bloot voor iedereen te zien. Desondanks – hier dient zich direct het probleem al aan – hebben de meeste mensen hier geen begrip van, zelfs niet wanneer het ze is medegedeeld, en dat is de constatering waar Heraclitus zijn werk mee opent, het eerste fragment:

Van de hier werkelijke, onveranderlijk geldige ordening blijken de mensen zonder begrip te zijn, zowel voor ze ervan horen, als wanneer ze er eenmaal van gehoord hebben. (Fr. 1)


Meteen aan begin stelt ons Heraclitus ons voor een uiterst interessante paradox: de wereld is voor iedereen, en voor alle eeuwigheid hetzelfde, dat is, er is een zekere constante in op te merken, iets dat altijd aanwezig moet zijn. Maar: de mensen doen dat niet, ze merken dat niet op, ze willen of kunnen het niet zien. Hoewel iedereen in potentie toegang heeft tot het algemene, verkiezen de meesten om in hun eigen wereld te leven. Ze leven alsof ieder van hen over een particulier verstand zou beschikken. (Fr. 2)

Schijnbaar is kennis van deze meest universele regelmatigheid waar Heraclitus ons op wil wijzen niet voor iedereen weggelegd, en mogen we ons er niet over verbazen dat zij niet algemeen bekend is:

Want hoewel alles in overeenstemming met deze ordening geschiedt, lijken zij zonder ervaring wanneer zij zich wagen aan woorden en werken van het soort dat ik behandel, waarbij ik elk gegeven overeenkomstig zijn ware aard onderscheid en aangeef, hoe het ermee gesteld is. (Fr. 1)


Heraclitus vertelt ons hoe het met de dingen gesteld is. Hij deelt ons een waarheid mede, waarin alle dingen – alle die er maar zijn – naar hun ware aard getoond worden. Dat betekent niet dat hij een lange lijst gaat opsommen van alle dingen met een correcte beschrijving van elk daarvan, maar dat hij ons leert van het algemene dat overal in terug te vinden is. Hoe het met de woorden en werken van het soort dat hij behandelt gesteld is – dat is niet slechts hoe die dingen zijn, maar hoe het is dat ze zijn. Hoe het is dat ze bestaansrecht hebben – namelijk, krachtens het ene, alles overheersende principe dat we ordening noemen.

Krachtens deze ene, alles verbindende logische structuur waar al het zijn aan onderworpen is, ontstaat de wereld van de wakenden. In de orde die wij in ons wakker-zijn ontwaren vormt zich de wereld die de wakenden met elkaar delen, en in tegenstelling tot de vele particuliere werelden van de slapenden is er daar maar één van.

niet slechts hoe die dingen zijn, maar hoe het is dat ze zijn.



Heraclitus als eenheidsdenker

Willen we weten wie Heraclitus is en wat zijn leer voor ons te betekenen heeft dan moeten we ten eerste ten volste beseffen dat voor Heraclitus alles één is. Hij is een monist, een eenheidsdenker.

Hoewel in het denken van Heraclitus veel nadruk ligt op de altijd voortdurende verandering, op het steeds maar wisselende karakter van alle dingen, wijst de welbekende formulering verandering is de enige constante er tevens op dat de verandering zelf één is. We krijgen de beelden voorgeschoteld van de constant stromende wateren van de rivier en de voortdurend flikkerende vlammen van het vuur, die hoewel ze onderling steeds verschillen en nooit hetzelfde zijn, allen deel uitmaken van een groter geheel – de rivier zelf, het vuur zelf – dat constant blijft.

Gadamer vat het mooi samen: “Was auch immer ihr da unterscheidet, das ist im Grunde alles eins.” Wat er ook maar te onderscheiden valt, in de grond is het alles één.

En de waarheid daarvan kan iedereen voor zichzelf ervaren:

Luisterend niet naar mij, maar naar de ordening, is het wijs ermee in te stemmen dat alles één is. (Fr. 4)


Omdat inzicht hebben van universele aard is, (Fr. 7) is het verkrijgen van inzicht in deze wijsheid niet als een mening die al dan niet overgenomen kan worden. We moeten niet naar Heraclitus luisteren, maar naar het zijn van de ordening zelf: naar dat wat alles en iedereen met elkaar verbindt. Het kan enkel zelf ervaren worden.

Voortdurend benadrukt Heraclitus echter dat dit niet is wat de mensen doen. Nee, ze richten zich liever op het particuliere, op hun zogenaamde eigen meningen, waardoor zelfs het meest alledaagse, dat waar ze dagelijks mee te maken krijgen, hen als iets vreemds voorkomt, wat ze niet kunnen begrijpen. (Fr. 9)

Want de velen denken niet aan zulke dingen als die waarop ze stuiten. Ook herkennen ze daarin niet wat hun geleerd is, maar houden vast aan hun overtuigingen. (Fr. 10)


Hoewel de ordening die Heraclitus ter sprake brengt alles bestiert en in zijn beweging tot stand brengt, zijn slechts weinigen bereid de werkelijkheid ervan te ervaren. De velen houden zich helemaal niet bezig met datgene waar ze nochtans constant mee te maken hebben en aan onderhevig zijn, ze staan er niet bij stil en zijn er niet opmerkzaam van.

Je kunt de mensen dus wel iets leren, maar voor de meesten – voor de veel-te-velen, zou Zarathoestra2 zeggen – geldt dat zo’n les niet voldoende is om het te kunnen herkennen in de wereld, zelfs wanneer ze er zelf op stuiten, zelfs wanneer ze het aan den lijve ondervinden. Dat komt omdat de meesten als slaapwandelaar door het leven gaan: niet opmerkzaam van wat ze aan het doen zijn, noch wat er om hen heen gebeurt. Ze richten zich enkel op het eigene, en verliezen zich daardoor in een schijnbare veelheid aan verschijningen.

Dat dit zo is, dat de meeste mensen als slaapwandelaar door het leven gaan en geen besef hebben van wat ze doen, wordt door onervaren denkers nogal eens als een schok ervaren wanneer ze er voor het eerst mee geconfronteerd worden – in hun onvermogen hier rekenschap van te geven schrijven ze dan bijvoorbeeld kwade wil toe aan deze mensen, alsof er een duistere reden zou zijn omwille waarvan ze zich tegen de waarheid verzetten, en dit is een gedachtegang die in een sterke vorm in staat is uit te monden in wat men wel eens als “complotdenken” of “religieuze waan” bestempelt. Om die fout te voorkomen, om niet ten onrechte duistere motieven aan mensen toe te schrijven, is het van groot belang om tot je door te laten dringen, waar Heraclitus ons voortdurend aan herinnert, dat de velen zijn als slapenden.3

De meesten, de veel-te-velen, verkiezen de particuliere droomwereld boven de werkelijkheid. Ze hebben geen weet, en wensen ook geen weet te hebben, van de eenheid die de wereld van het wakker-zijn verbindt.


De duistere

Niet vrij van arrogantie en verhevenheid kondigt Heraclitus zijn leer aan, waarvan de mensen, die hij ook wel met honden vergelijkt, geen besef lijken te hebben.

Deze voor de moderne lezer als zelfverheerlijkend aandoende wijze waarop Heraclitus zijn leer verkondigt, de stelligheid waarmee hij beweert de waarheid in pacht te hebben en waarmee hij de lezer vanaf de eerste zin op het hart drukt dat wat hier staat de echte waarheid is, en wat de anderen verkondigen maar onzin, is geheel in lijn met de traditie van zijn tijd. Je hoort jezelf een beetje te onderscheiden van de rest, te verklaren waarom men naar jou zou luisteren en niet naar anderen.

De arrogantie en zelfpromotie zijn normaal – maar de manier waarop hij zich er bij neerlegt dat de meesten hem niet zullen kunnen begrijpen heeft een diepere betekenis. Het verschil tussen een leek en een kenner dat hij hiermee benoemt, is een onderscheid dat behoort tot de kern van zijn filosofie.

Wat voor ons in onze afstand tot Heraclitus nog eens extra waar is, was voor zijn tijdgenoten reeds waar: de duistere woorden dwingen tot interpretatie.


Dat Heraclitus zich er vanaf het begin af aan bij neerlegt dat maar weinigen hem zullen kunnen begrijpen is als reden aan te wijzen dat hij reeds in de oudheid bekend staat als de duistere – als raadselen-doorvlochten en moeilijk te doorgronden. Socrates zelf geeft toe dat hij maar weinig van de woorden van Heraclitus weet te ontrafelen en Aristoteles klaagt over de dichterlijke dubbelzinnigheid van zijn taalgebruik. Voor Heraclitus is dat helemaal juist, want waarheid ligt niet zomaar voor het oprapen – waarheid moet verdiend worden.

Wat voor ons in onze afstand tot Heraclitus nog eens extra waar is, was voor zijn tijdgenoten reeds waar: de duistere woorden dwingen tot interpretatie. Dat wil zeggen, ze dwingen ons te beseffen dat het niet volstaat naar Heraclitus te luisteren, maar dat het altijd aan onszelf is om betekenis uit zijn woorden te ontwaren, om er orde in aan te brengen.

Luisteren naar de ordening (Fr. 4) betekent niet dat we onze eigen orde aan de wereld opleggen, maar dat we open staan voor de orde die zich in ons waarnemen in steeds weer nieuwe vormen aan ons openbaart. Het is een orde die we niet van tevoren aan zien komen, maar desondanks toch moeten zien te verwachten:

Zonder het onverwachte te verwachten zal men het ook niet ontdekken, blijft het onnaspeurbaar en ontoegankelijk. (Fr. 11)


Hedendaagse psychologische experimenten wijzen uit wat Heraclitus reeds duizenden jaren geleden onderwees: de fantasie speelt een belangrijke rol in de waarneming. Verschijnt er tijdens het autorijden plotseling een onverwacht object op de weg, dan is dat vaak moeilijk te zien, omdat wat we zien voor een groot deel door verwachtingen wordt bepaald. Het wordt dan ook als een belangrijke oorzaak van verkeersongelukken beschouwd: onze psyche opereert op basis van verwachtingspatronen, dat wat we niet aan zien komen blijft vaak volledig buiten beeld – tot het punt dat we niet eens zien wat er zich recht voor onze eigen ogen afspeelt.

Daarmee zien we iets van de reden dat Heraclitus’ leer noodzakelijkerwijs een duistere moet zijn – waar hij ons op wijst laat zich enkel ontwaren door hen die in staat zijn op eigen kracht buiten de eigen verwachtingspatronen te zien: het onverwachte te verwachten.  

We zien bij Heraclitus een duidelijke scheiding tussen de meningen die we er op nahouden en kennis van de werkelijkheid zelf. Meningen zijn over te nemen en na te praten, maar kennis van de werkelijkheid kan enkel direct worden ervaren. Zo zien we hoe het kan gebeuren dat de velen geen weet hebben van de ordening waar ze iedere moment onderdeel van uitmaken, zelfs nadat ze erover gehoord hebben. (Fr. 1) Ze hebben er wel een mening over gehoord – maar ze hebben het niet in de grond van hun wezen ervaren, en alleen dat laatste brengt de waarheid aan het licht.

Het lijkt voor ons vanzelfsprekend dat openbare kennis die voor iedereen beschikbaar is ondanks deze openbaarheid toch onbekend kan blijven – dat kennis daarmee meer dan een standpunt, meer dan de eigen mening kan zijn – maar in de tijd van Heraclitus was dat wat wij fysica zijn komen te noemen nog iets nieuws, nog iets pasgeborens dat nog aan het groeien was – en pas net de ogen begon te openen. Wat zich hier ontvouwt is de geboorte van het westerse denken.

Luisteren naar de ordening betekent niet dat we onze eigen orde aan de wereld opleggen, maar dat we open staan voor de orde die zich in ons waarnemen in steeds weer nieuwe vormen aan ons openbaart.




Natuurkundige principes

Heraclitus is een eenheidsdenker die een leer verkondigt die niet voor iedereen is. Daarmee vertegenwoordigt hij een van de eerste wetenschappelijke systemen en staat hij aan de basis van wat wij in het Westen zijn komen te verstaan als het onderscheid tussen de leek en de geleerde. De idee, nu voor ons volkomen normaal, dat er kennis is waar de leek geen weet van heeft, ondanks dat wat in die kennis geschets wordt zich recht voor zijn eigen ogen afspeelt, was zich toentertijd nog volop aan het ontwikkelen.

Hier zien we een zeer oude en oorspronkelijke manifestatie van de idee van een geleerde zoals wij die nu verstaan, een man wiens kennis verder reikt dan de alledaagse. Heraclitus is een van de eerste natuurkundigen, een van de eerste die het zijn van de wereld probeert te verklaren, niet vanuit mythe, maar vanuit een allesomvattend principe, een systeem, een theorie, ja zelfs een ‘theorie van alles.’

Heraclitus behoort tot de eerstelingen die aan het begin staan van de westerse traditie om kennis te formuleren van de werkelijkheid, onafhankelijk van religieuze en politieke traditie. De idee, nu zo alledaags, dat kennis zelfstandig, los van deze domeinen zou kunnen opereren, onafhankelijk van wat koning en priester daar van vinden, is hier volop in ontwikkeling. We kunnen zeggen dat zij nu, in onze tijd, als grijsaard door het leven gaat, op het punt om af te sterven, terwijl zij in de tijd van Heraclitus nog een dartelend kind was dat pas net kwam kijken.

En met het aanvangen van wat wij nu als de natuurwetenschappelijke blik zijn komen te zien, komt deze hele onderneming in een uiterst dubbelzinnige relatie tot het goddelijke te staan. Enerzijds is Heracltitus, zoals we in latere fragmenten zullen zien, uiterst kritisch op de religieuze tradities van zijn tijd. Anderzijds concurreert hij ook met hen in het opwerpen van een wereldbeschouwelijk systeem, en is het ordelijke principe waarvan hij spreekt wel degelijk met de Opperste God te vergelijken, in die zin dat het de Kracht is die het hele universum doet ontstaan en naar Zijn hand zet.

In dat opzicht heeft de ordening een unieke status, zoals God, of zoals de Grieken zeiden, de Oppergod, anderzijds is het toch ook niet zoals God:

Het ene wijze, dat geheel alleen staat, is niet bereid en toch ook weer wel bereid in de naam Zeus tot uitdrukking te worden gebracht. (Fr. 6)


Het ene wijze, waar Heraclitus ons op wijst, is het Zijn zelf, het is de mogelijkheid dat er iets bestaan kan zelf, de oorzaak achter alle werkelijkheid. In die zin staat het gelijk aan God als almachtige en oorspronkelijke Kracht, en laat het zich ook vergelijken met termen als de hindoeïstische Brahman, de kabbalistische Ein sof of simpelweg onzer eigen oneindigheid.

Tegelijkertijd echter is de ordening zelf geen zijnde, het is geen ding onder de dingen, en in die zin verschilt de ordening dus fundamenteel van Zeus wanneer Hij als een zijnde wordt voorgesteld, als een Wezen tussen de andere wezens, maar dan net wat krachtiger. In die zin is de ordening niet bereid de naam van God te dragen, want de ordening is nu juist het principe dat entiteiten – zelfs de goden, zelfs de Hoogste – doet ontstaan. De ordening is de mogelijkheid van onderscheiden zelf.

Deze verhouding is ogenschouw nemend lijkt het dan ook strikt in de eerste, niet-persoonlijke betekenis te zijn dat het Woord met God wordt gelijkgesteld in Johannes 1:1:

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.


In de Griekse tekst staat hier Logos. Aangezien van Johannes wordt beweerd dat hij in Efeze gewoond en gewerkt zou hebben, lijkt er weinig twijfel dat hij hier heel letterlijk naar de ordening van Heraclitus verwijst, of daar in ieder geval door geïnspireerd is. De God waar Johannes het over heeft verschilt dan ook van Zeus en Jahwe in dat het geen wezenlijke God is, geen persoon, maar meer als de Kracht die achter het bestaan van wezens schuil gaat, zoals verder blijkt uit Johannes 1:18:

Niemand heeft God ooit gezien.


Enerzijds zien we dus dat Heraclitus er niet voor schroomt zich af te zetten tegen religieuze traditie, maar tegelijkertijd is hij juist aan het begin van een traditie te plaatsen die wetenschap koppelt aan een kosmische religieuze ervaring die wetenschap en religie met elkaar gemeen hebben – waarin religie en wetenschap op één lijn staan – het zoeken naar ultieme gronden dat ook in de moderne wetenschap nog steeds een element van verwondering in zich draagt, een haast sacraal respect voor de heilige ordening van het universum dat het menselijk verstand doet verbleken. Heraclitus is niet bereid, en toch ook weer wel bereid, als theoloog de geschiedenis in te gaan.

De verschillende gradaties van wakker-zijn tekenen de mate waarin de werkelijkheid zich laat openbaren.



Slapende en wakkere mensen

Het beeld nu waarmee reeds vanaf het begin en voortdurend in het werk van Heraclitus wordt aangeduid hoe de onderliggende realiteit van al dat aan ons verschijnt, hoewel voor iedereen toegankelijk, toch niet door iedereen wordt opgemerkt en onderkend, is dat van de slapende en wakkere mensen.

Voor hen die wakker zijn is de fraaie ordening één en alles verbindend, maar de slapenden wenden zich ieder tot het particuliere. (Fr. 8)


Het is een beeld dat we ook vandaag de dag veel tegenkomen in relatie tot de mate van kennis waarover mensen beschikken, zoals te zien aan de woorden ‘woke’ en ‘wakker’ die, hoewel beide voor iets heel anders gebruikt worden, toch op ditzelfde beeld steunen van wakkerheid als schaal waaraan de ontvankelijkheid voor waarheid gemeten kan worden.

De verschillende gradaties van wakker-zijn tekenen de mate waarin de werkelijkheid zich laat openbaren. Wakkerheid staat tegenover slaap als licht tegenover duisternis. Slaap staat hier voor een ondermaatse prestatie, een tekortschieten, een gebrek. Slaapwandelende mensen kunnen een hoop, ze doen wel degelijjk dingen, maar begrip hebben ze niet. Tastend in het duister vinden ze hun weg, maar het diepere verband tussen alles ontgaat hen. Ze zien de werkelijkheid, die één is, voor divers – ze zien haar fragmentarisch. En juist het leggen van verbanden zelf, waarin de eenheid van het schijnbaar-diverse aan het licht komt, is de taak van het denken.4

We kunnen daarom zeggen dat de wakenden de wereld bewonen, maar de slapenden slechts op bezoek zijn. Die leven in hun eigen wereld. Belangrijk is daarbij op te merken dat de slapende ieder moment wakker kan worden. Het wakker-zijn is niet van hem afgesloten, het blijft altijd als zeer concrete mogelijkheid binnen zijn horizon aanwezig. Alleen in relatie tot die mogelijkheid is zijn staat van slaap te begrijpen.

En hoe kan die mogelijkheid zich voordoen? Hoe kan iemand zich er toe aanzetten het onverwachte te verwachten? (Fr. 11) Door vertrouwen te stellen in het ene dat alles is.

Er is slechts één wijsheid: op voet van vertrouwdheid te staan met de ordening, die alles bestiert. (Fr. 3)


Op voet van vertrouwdheid te staan met dat wat is, zonder er eisen aan te stellen, zonder er verwachtingen aan op te leggen en ijdele hoop aan op te dringen, maar door het te laten zijn wat het is, in volste vertrouwen, is de weg naar wijsheid. Wie dat kan, heeft geen overige wijsheden meer nodig. Voor deze levenskunst is een vertrouwen nodig, en dat is dan ook de voornaamste reden dat zovelen de ordening aan zich voorbij laten gaan:

Want de meerderheid der goddelijke dingen ontkomt eraan gekend te worden door een gebrek aan vertrouwen. (Fr. 12)


Het is ons gebrek aan vertrouwen dat kennis van het ene wijze in de weg staat. Door onze argwaan houden wij begrip van het hoogste op afstand.

En daarmee zien we iets van de voorwaarden die Heraclitus stelt aan het gewaarworden van de werkelijkheid. Het is een openstaan-voor dat altijd een actieve bijdrage van ons vereist, een houding.

De wakkere mensen onderscheiden zich van de slapenden door hun activiteit: doordat zij, in hun ontvankelijkheid voor de waarheid, niet louter passief informatie tot zich nemen, maar actief informatie gebruiken als bouwmateriaal om een levende werkelijkheid staande te brengen. Toegang hebben tot de waarheid is niet genoeg om over waarheid te beschikken. We moeten er voor kiezen om er op te vertrouwen. Bovendien krijgen we het niet op een presenteerblaadje aangereikt, het wordt ons niet voorgekauwd en uitgespeld. Er wordt nog wel iets van ons verwacht. We moeten interpreteren.

De Heer van wie het orakel is dat zich te Delphi bevindt, verklaart niet, verbergt ook niet, maar duidt aan. (Fr. 13)


Om het werkelijke te ervaren mogen we geen duidelijk leefregels verwachten. Niemand zal het voor ons uit kunnen spellen: dit is waar, en dat niet, dit is juist, en dat niet. Nee, de ordening, gelijk de Heer die het orakel van tekenen verschaft, verbergt niets, maar legt ook geen verklaring af: we krijgen hoogstens wenken, tekenen, aanduidingen waar wij zelf de betekenis van moeten ontwaren, waarover wij zelf zullen moeten oordelen.

De godheid waar Heraclitus van spreekt verschilt daarmee op radicale wijze van het beeld dat wij voorgeschoteld krijgen in het verhaal van Mozes die zijn tien geboden krijgt. Niets zo uitgespeld als dat mogen wij van de Heer verwachten, Hij duidt slechts aan, en is wat dat betreft misschien beter te vergelijken met de Dao van het daoïsme: het Opperwezen dat alles bepaalt en overal aan ten grondslag ligt, tot zover gaat de vergelijking op, maar anders dan de bijbelse God die wij kennen – en dit is dan ook de reden dat het woord Dao als God vertalen (en andersom) zoveel tegenstand oproept – spreekt deze God niet in duidelijke bevelen. Hij is in duisternis gehuld, en spreekt enkel tot ons in richtingwijzers, waarvoor altijd interpretatie vereist is.5

Ook daarom is het wakker-zijn een ideale aanduiding van de werkelijkheid die wij met elkaar delen, omdat daarin het vanzelfsprekend-actieve component tot uitdrukking komt: het is een passieve handeling, zoals ademhalen. De werkelijkheid is er niet zomaar, wij scheppen de werkelijkheid door hem te ervaren. Orde is er niet vanzelf, in de interpretatie, in het oordeel wordt orde opgelegd aan de wereld: orde-opleggen is wat wij doen: het is onze manier van in de wereld staan. Het naamwoord ordening beschrijft de werkelijkheid, en het werkwoord ordenen – als in het Franse woord ordinateur 6 – beschrijft de menselijke conditie, het beschrijft de handeling waarin wij orde scheppen uit chaos. Ontbreekt het ons aan kennis, dan is dat niet omdat God iets verborgen voor ons houdt, maar omdat we tekortschieten in ons ordenen van de wereld – omdat we niet wakker genoeg zijn. Is er iets onduidelijk, dan is een actieve interpretatie van de tekenen die voorhanden zijn hetgeen dat het meest nodig is. Het komt er op aan een oordeel te vellen, zonder te pretenderen dat het jouw eigen oordeel is.

Het ordenen dat wij in vertrouwen doen is de grondstructuur van het wakker-zijn en vertegenwoordigt daarmee de bron van de hoogste werkelijkheid.

***

En zo, nu we hiermee een eerste schets hebben gegeven van wat de ordening waarin de eenheid van het universum tot stand komt eigenlijk is, kunnen we kijken wat Heraclitus te melden heeft over de aard van deze ordening – de omstandigheden waarin zij aan het licht komt.

De ordening is het worden van de wereld. Het worden van de wereld is de constante strijd om het bestaan waarin alle elementen die er maar zijn tezamen één hogere orde vertegenwoordigen. Het is de strijd die al wat er maar te onderscheiden valt tegen elkaar voert. Wakkerheid tegenover slaap, licht tegenover duisternis, warmte tegenover kou, leven tegenover dood. De tegendelen zijn in een constante strijd met elkaar verwikkeld, en vormen in die vervlochtenheid één overkoepelend worden die de hoogste werkelijkheid zelf vertegenwoordigt: de ordening, die daarmee een eenheid der tegendelen is.

Op de eenheid waarin alles in strijd geboren wordt, zullen we ons thans richten.

Lees nu: Fragmenten 2: De eenheid der tegendelen ( > )

Dit is een commentaar bij: Fragmenten 1: Het ene wijze ( > )


Lees verder


Noten

  1. Het grootste tempelgebouw in de oudheid, dat tot de zeven wereldwonderen van de antieke wereld wordt gerekend.
  2. Over Zarathoestra, de Perzische geestelijke en een karakter van Nietzsche, zullen we het later hebben.
  3. Vgl. Lucas 23:34 “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.”
  4. En dit brengt ons weer op Fr. 7, Inzicht hebben is van universele aard, want dat werkt twee kanten op. Het inzicht dat wij hebben is universeel, maar tegelijkertijd is ons denken, ons verkrijgen van inzicht, dat wat de universaliteit tot stand brengt, de handeling die het universele bewerkstelligt, waardoor het fragment ook wel andersom vertaald wordt, zoals bijvoorbeeld door Cornelis Verhoeven: Verband leggen tussen alles is het denken.
  5. En uiteraard is voor begrip van de 10 geboden nog steeds interpretatie vereist – dit alles is slechts een relatief onderscheid.
  6. En een computer is dus ook een machine die de mensen werk uit handen neemt – een “machine in the likeness of the human mind”.